Op deze pagina vindt u de belevenissen van Jeroen in Zuid-Afrika. Aansluitend bij zijn reisblog schrijft hij van 23 maart tot 29 maart in de krant Metro over zijn reiservaringen. Zijn camperreis is georganiseerd door Travelafrika.
Dagverslagen
- 23 maart: Hoe om te gaan met een Zuid-Afrikaan?
24 maart: De strijd van Lebo en zijn 'brothers'
25 maart: Witte pakken op de grens met Swaziland
28 maart: Rommelstrooing en een elektriese skok
29 maart: Hardop dromen te midden van dieren
-
Dagverslag 23 maart: Hoe om te gaan met een Zuid-Afrikaan?
Mensen in Zuid-Afrika houden niet van stress en daar moet je maar genoegen mee nemen. Het is wat mij betreft de eerste regel uit het handboek ‘Hoe om te gaan met de Zuid-Afrikaan’.
Neem bijvoorbeeld de caissière van een supermarkt in Johannesburg. Onverstoord scant ze op haar gemakje elk product dat voor haar wordt neergelegd. Ook die van mij. “How are you?”, vraagt ze voordat ze aan mijn spullen begint. Tot zover niets aan de hand. Maar dan gaat het mis. Op de doos met koekjes staat geen barcode. “Even navragen hoe duur ze zijn”, mompelt het meisje voordat ze opstaat en tergend langzaam richting een collega in de verte slentert. De rij bij haar kassa groeit vervolgens snel, maar van de caissière is minutenlang niets meer te zien. Het duurt zeker vijf minuten voordat ze – uiteraard sloffend – weer terug is. “How are you?”, klinkt het voor de tweede keer. “Ehh...schiet op met je werk, ik heb haast en wil graag voor de middagspits de stad uit zijn”, wil ik haar toebijten. “Fine, and you?”, klinkt het echter daadwerkelijk uit mijn mond. En dát blijkt het enige goede antwoord te zijn. Een grote glimlach is mijn dank. “Have a nice day.”
Wachten in Zuid-Afrika is eigenlijk nooit erg. Sterker nog: de beloning ervoor kan soms bijzonder mooi zijn. Het is nog vroeg in de ochtend als rangers in het wildpark Sabi Sabi (bij het Krugerpark) de sporen van leeuwen ontdekken. “We gaan naar ze op zoek”, beslist ranger Jonas, die de Land Rover bestuurt waar ik in zit. Via de radio roept hij zijn collega-rangers op hetzelfde te doen. En dat gebeurt. Zeker vier wagens – alle gevuld met toeristen – snellen naar hem toe zodra een half uur later blijkt dat de roofdieren vlakbij moeten zijn. Gewapende mannen (“Die geweren zijn er alleen maar om jullie te beschermen”) springen eruit en gaan lopend op zoek naar de wilde dieren; de toeristen verbaasd, geamuseerd en toch ook wat ongemakkelijk achter latend. Want wat doe je als groepje ongewapende blanke mensen als er opeens een olifant naast de wagen verschijnt?
Na tien minuten keren de rangers opgewonden terug. De dieren zijn gezien: ze liggen in de opgedroogde rivierbedding verderop. Nog eens een kwartier later hobbelen we de dichtbegroeide kant af en krijgen we een prachtige beloning voor ons lange wachten: moeder de leeuw ligt op haar zij, terwijl twee kleintjes zich bij haar tepels hebben genesteld om te drinken. “How are you?”, fluistert Jonas. “Fine!”
Terug naar boven

Dagverslag 24 maart: De strijd van Lebo en zijn 'brothers'
“Je mag je fototoestel wel gewoon uit je tas halen, hoor. Hij wordt hier echt niet gestolen”, zegt mijn gids Lebo lachend. De donkere Zuid-Afrikaan zal me zodadelijk per fiets door Soweto leiden. Hier leven ongeveer 4,5 miljoen mensen, van wie velen in armoede. Blanke Zuid-Afrikanen vind je er niet. En dat doet nog altijd pijn bij Lebo en zijn ‘brothers’. “Zij zien ons nog altijd als bedreiging, maar dat is nergens voor nodig. Afrika moet één zijn: blank en zwart.”
Lebo – die drie jaar in Nederland heeft gewoond en “Zeewolde” bijna vlekkeloos kan uitspreken – blijkt een ware spraakwaterval. De roerige geschiedenis van Soweto, waar in 1976 honderden zwarte kinderen werden doodgeschoten tijdens een protestmars over het verplicht stellen van de ‘blanke’ taal Afrikaans, heeft een prominente plek in zijn betoog. Ja, ook hij heeft destijds familieleden verloren. Maar of hij de blanke Zuid-Afrikanen haat? “Nee, ik heb bij voorbaat een hekel aan niemand. Ik kijk naar de persoon, niet naar de huidskleur.” Nelson Mandela, maar dan in het klein. Zo omschrijft hij zichzelf even later nog eens. Dus Lebo zal ook zijn blanke landgenoten zonder morren rondleiden? “Yesss...I think so...”
De immer vrolijke Lebo laat me verder kennis maken de plaatselijke bevolking. Met name voor de kinderen ben ik als ‘bleekscheet’ een echte attractie. Zwaaiend, schreeuwend en springend komen ze het reisgezelschap tegemoet als dat passeert. Lebo vindt het prachtig: “Zie je wel: blanken hebben niets te vrezen, worden juist als helden ontvangen. Jullie zijn ook geen toeristen die met de deuren op slot foto’s maken en snel doorrijden. Jullie zijn bezoekers, die de tijd nemen voor contact. En dat wordt hier gewaardeerd.” Mijn gids moet overigens wel erkennen dat niet héél Soweto even goed toegankelijk is voor toeristen. “Maar in Amsterdam zijn toch ook wel buurten waar je niet zomaar doorheen kunt rijden”, zegt hij op vragende toon. “Sure, Lebo.”
De strijd van Lebo voor volledige gelijkheid van de zwarte Zuid-Afrikanen en de strijd tegen armoede in Soweto lijkt echter een verloren strijd. Velen hebben nauwelijks geld en kunnen hun kinderen dan ook geen goed onderwijs laten genieten. Los daarvan telt de gemeenschap ook nog eens een enorm aantal wezen, van wie de ouders zijn overleden aan vreselijke ziektes of doodgeschoten tijdens ruzies. Toch blijven de mensen ook daar strijdbaar. “We willen optimisme uitstralen en de wereld laten zien dat we veel in onze mars hebben.” En van dat positivisme kunnen veel blanke Zuid-Afrikanen nog een hoop leren...
Terug naar boven

Dagverslag 25 maart: Witte pakken op de grens met Swaziland
Ze stonden met zijn drieën te wachten bij de camper en direct bekroop me een ongemakkelijk gevoel. Zojuist was ik een klein half uurtje bezig geweest met alle formaliteiten aan de grens met Swaziland. Zuid-Afrika uit, stempel in paspoort en registratieformulier voor camper mee. Doorrijden en stoppen. Registratieformulier inleveren. Doorrijden en stoppen. Swaziland in, stempel in paspoort en registratieformulier voor camper mee. Doorlopen naar balie 2. Registratieformulier inleveren en stempel. Afijn, dat dus. Terug naar de drie mannen. Hun witte jassen staken haast fel af bij hun intens zwarte huid. “Controle.” Goh, ik had al zo’n vermoeden...
Eenmaal binnen kijkt het drietal eerst verbaasd om zich heen: “Dat is bijna een huis!”. Direct lijken ze zichzelf echter te vermannen. Of ik rood vlees bij me heb, willen ze weten. “Zeker, twee karbonades voor op de barbecue, hoezo?” Welnu: in Zuid-Afrika was het rode vlees besmet, wisten de heren me te vertellen. “Aha. En nu”, vroeg ik daarop. “Nou, voor deze keer laten we je gaan. Eet smakelijk.”
Dat smakelijke eten valt echter letterlijk in het water, later die avond. In een fantastisch pure omgeving van wildpark Mlilwane breekt tijdens een safari de figuurlijke hel los. Bliksemflitsen en keiharde donderslagen gaan gepaard met een stromende regen. De dieren die even daarvoor nog schrander naar me leken te kijken, gooien nu allemaal hun kont in de wind om hun ogen tegen het natuurgeweld te beschermen.
Terug op de camping blijkt daar de stroom te zijn uitgevallen. En dus is het er donker, heel donker. Wanneer de stroom terugkeert, weet niemand. “Misschien vannacht, misschien over twee dagen.” Het is onmogelijk om de barbecue in het stikdonker aan te steken en dus wordt het besluit genomen op de tast naar het restaurant te gaan. Daar zorgt een kleine aggregaat voor net genoeg warmte en licht in de keuken om een (lauw) diner voor te schotelen aan de gasten. Ik eet bij het licht van de olielamp, terwijl op twee meter achter me een meertje is gevuld met krokodillen en slangen. “Eet smakelijk.”
Terug naar boven

Dagverslag 28 maart: Rommelstrooing en een elektriese skok
Elkaar groeten op de camping, lekker barbecuen en met een wc-rol op weg naar het toilet. Nederlandser kan het niet, zou je denken. Welnu, dat klopt. Want het gaat in dit geval om de blanke Zuid-Afrikanen, die in veel opzichten nog geïnspireerd lijken door hun ‘Hollandse’ verleden.
Neem bijvoorbeeld de taal. Hoewel je duizenden kilometers van Amsterdam bent verwijderd, heb je geen woordenboek nodig om te begrijpen wat wordt bedoeld met ‘Rommelstrooing is ’n strafbare oortreding’. Of wat te denken van de ‘waarskuwing’ dat “alle ongematigde persone is belet om elektriese toestelle te hanteer of daaraan te peuter”. Een duidelijke boodschap, lijkt me... Mocht het desondanks alsnog misgaan, is er gelukkig ook een ‘Noodhulp in die geval van elektriese skok’ aanwezig.
Het Afrikaans, zoals de taal officieel heet, is er overigens slechts één van de twaalf die worden gesproken in Zuid-Afrika. En – geloof het of niet – er zijn mensen die ze alle twaalf spreken. Zo niet Richard, de man die als ‘sporenzoeker’ dieren voor toeristen probeert te vinden in wildpark Sabi Sabi. “Hij spreekt drie woorden Engels en verder alleen Zulu”, weet mijn gids Jonas. “Richard is namelijk nogal lui.” En dan volgen de enige ‘Nederlandse’ woorden die Jonas kent. “Hij liefst slapie doen”.
Toch vind je op veel plekken nog andere Nederlandse invloeden. Een prachtig voorbeeld is de naam die aan sommige rivieren is gegeven. Op de dag dat ik met de camper richting de Blyde-rivier rijd, passeren onderweg namen als Graskop en Nelspruit. En of het een geintje van de Zuid-Afrikanen is geweest, zal ik wel nooit weten. Feit is dat de rivier die voor de Blyde stroomt Treur heet. Bij het lezen van die naam kan ik een ‘blyde’ schaterlach niet onderdrukken…
Terug naar boven

Dagverslag 29 maart: Hardop dromen te midden van dieren
Ranger Jonas vindt het prachtig om met toeristen op zoek te gaan naar wilde dieren, daar mag geen enkele twijfel over bestaan. Hij krijgt prima betaald en het eten in het resort is zo lekker dat hij zichzelf dwingt af en toe een maaltijd over te slaan. Maar toch…
...De openbaring komt tijdens een ochtendsafari. Jonas zet de Landrover op een open vlakte stil om een kopje koffie en thee voor zijn gasten in te schenken. “Weet je”, begint de donkere Zuid-Afrikaan voorzichtig, “ik ben nu 37 en doe dit werk met veel plezier. Maar ik droom van iets anders.” Zijn grote ogen glinsteren als hij vervolgens uitlegt jonge rangers het vak te willen leren. “En soms overweeg ik om naar de stad te trekken en daar een elektronicazaakje te beginnen.”
Jonas valt even stil en kijkt om zich heen. Ik doe hetzelfde. Tussen de buffels in de verte hebben zich enkele gnoes gemengd. Ook meen ik een glimp van een zebra te ontwaren, terwijl het enige geluid komt van de bont gekleurde vogels die her en der in de boomtoppen zijn neergestreken. Jonas’ zuchtende stem onderbreekt het pure moment. “Maar dan moet ik wel al dit moois opgeven.” Ik knik hem meewarig toe en weet het eigenlijk al bij voorbaat: Jonas zal sterven als ranger. En zelfs de dieren zullen dan een traantje laten.
Ik ben blij met Jonas als ranger. Hij praat, lacht en onderwijst. Lijkt soms zelfs swingend te lopen. Jonas is een vrolijke jongen die overduidelijk plezier heeft in wat hij doet. Jonas wordt niet kwaad, reageert altijd begripvol en is de rust zelve. Eén keer valt hij – bijna – uit zijn rol. Het is op de ochtend dat we na een lange zoektocht door struiken en opgedroogde rivierbeddingen zijn gestuit op enkele leeuwenwelpjes. Iedereen geniet, Jonas voorop. Zijn stralende ogen verdwijnen echter langzaam zodra blijkt dat vertrekken uit de rivierbedding moeilijker is dan gedacht. Wat Jonas ook probeert, de Landrover weigert de steile oever op te ‘klimmen’. “Rustig maar, we komen er wel uit”, probeert hij de inzittenden en zichzelf gerust te stellen. Als hij zich weer omdraait, zie ik langzaam maar zeker de zweetdruppels van zijn gezicht parelen.
Toch lukt het uiteindelijk. Na een kwartier van ploeteren, ploegen en gas geven hobbelen we dan toch weer het zandpad op. Daar komt ons een andere Landrover tegemoet rijden en krijgt Jonas de complimenten voor het vinden van de leeuwen. Hij praat terug, lacht en lijkt met zijn hoofd te swingen: Jonas is gelukkig weer zichzelf.
Terug naar boven
-
-